o Zuivre trouw

J. Van Nuffel

o Tijden van 't verleden,

komt gij dan weêr op uw stappen getreden?

Is 't ú, Rebecca, die 'k aanschouw

en Isaäc den vader van het volk

dat God beloofde? En moet ik bij de sterren

het groot getal van uwe kinderen tellen!

o Heilig Vlanderen, waar

is 't land dat neffens u mag staan,

of u geleken zijn, als God

de landen telt alwaar 't Zijn volk

en Hij nog Meester is en Koning ende Keizer?

In u en heeft de oorspronklijke verleider,

geen tent geplant, geen dienaars en geen rijk,

noch volk dat hem wil slave zijn:

bij u zit nog de trouw der vaderen

in 't oude vlaamsche bloed, en onbeladen

is 't spegelen van de reinigheid

uws herten; 't rust in veiligheid

bij u wat God u gaf; gij deelt

een brood met hem die vraagt, een traan met hem die weent;

uw herte is liefde, valschheid nooit,

en de oneer is u noo', nog nooder als de dood;

bij u is d'huwlijksband,

gezegend door Gods hand,

een Sacrament gebleven,

en, kinderen zijn een zegen

dien God u gaf, en die, van Hem ontvaan,

voor anders geene als Hem te bloeien staan.

o Land van Chanaän,

is 't u dat ik aanschouwe of ben ik aan

den oever van den vloed,

dien Liban voedt,

of is dat riet, waardoor de winden

hun schuifelende wegels vinden

het riet van Cana's bruiloftstad,

waar Jesus met Maria was?

Ben ik in Vlanderen niet, mijn eigen boorden,

of, Palaestina, ligt gij, heilig land, in 't noorden?

o Goede wijn die, water eerst

zoo zuiver als krystaal, verreest,

in verwe en edele kracht, geraakt

van Hem die alles werkt en heilig maakt!

o Zuivere trouw

van man en vrouw,

die zuiver als krystaal weleer,

van God geraakt den Opperheer,

tot Sacrament

gezegend wordt en met Gods zegel toegeprent!

Was in de jeugd

het schitteren uwer deugd

een ongespot en heilig leven,

wat glans en zal het nu niet geven,

als 't God geheiligd heeft, om andere levens, om,

uit 's huwelijks heiligdom

God kinderen op te leiden,

zoo schapers doen hun lammeren in de weiden!

o Groote dag waarop 't weleer

geschiede wonder, in de handen van den Heer,

weêrom geschieden zal,

lijk vóór den droeven val

des vaders aller lieden!

Weêrom dan zal 't geschieden

dat twee gaan één en 't zelve zijn,

in God en in Zijn Kerk gewijd,

gewijd om kinderen in des levens licht te leeden,

die d'heilige Kerk zal in heur christene blankheid kleeden.

Verheugt nu, landsche liên, uit christelijker vreugd

dan ooit uw hert en geesten heeft verheugd,

en, steekt de lust

onedeler hert in brande, 't uw, gerust,

en voele niet dan heil en zuiver liefdesmaken,

gelijk aan 't blijde blaken,

dat leutig om den hangel draait

en wimpelend in de kave laait,

wanneer, aan stuks gewrocht, bij winterdag,

uw huis en eigen heerd een uurke u warmen mag.

Verheugt u! Blank de spaan en blank het melkgerief,

en alle dingen blank geblonken,

tot dat ze, lachend lief,

uw lachjes wederlonken!

Het maal bereid! En vlieg' de rook verkonden

dat een Rebecca is voor Isaäc gevonden,

zoo schoone als zij,

zoo vroom als hij,

en dat God zelf het is die hen verbinden zal,

en dat den huwelijkszang, met de andere stemmen al,

van 't bletend schaap en al dat huppelt ondereen,

van 't edel vee dat gaat al neunen door de wee'n,

van 't leeuwerkske dat stijgt en uit

de wolken ook 'nen welkom tuit,

dat, met het klokkenspel

dat hellemt over land en veld,

in klanken onbedwongen,

een Priester heeft den zang der bruiloft meêgezongen!