Het oude brevier

J. Vereecke

Als zorgen mijn herte verslinden,

als moedheid van 's werelds getier;

dan zoeke ik weêrom den beminden,

dan grijpe ik den ouden brevier.

o Schat ongevalschter gebeden,

brevier, daar, in 't korte geboekt,

Gods woord, en Gods wonderlijkheden,

nooit een ongevonden en zoekt!

o 't Werk van gezetelde Pausen,

wat zegge ik, Gods eigen beworp;

o sterkte, en, als 't lijden doet flauw zijn,

onsterfelijk lavend geslorp!

o Weldaad wellustiger koelheid,

o schaduwomschietende troost,

als 't vier, en de onmachtige zwoelheid,

gestookt door den vijand, mij roost...

Dan zuchte... dan zitte ik alleene;

dan biede ik den booze: 'Van hier!'

dan buige en dan bidde ik, en weene...

dan grijpe ik den ouden brevier!