Jam Hyems Transiit

J. Vermeiren

Ach, weêrom groent, alhier aldaar,

te gronden uit, het nieuwe jaar,

zoo lang verwacht en uitgesteld,

door 's winters onverwacht geweld.

Hoe hard- lag, en hoe diepversteend,

de moederschoot, die 't aas verleent,

daar man en muis op leven zal:

't was maanden ons ontgeven - al!

De wee hergroent, 't hergroent al, in 't

verschiet: waar hier waar daar begint

de naakte grond bekleed te staan

met hope weêr van gras en graan.

Den tragen os zie 'k werken, op

de velden, zijn' gekroonden kop

al schudden, na den tragen trant

des arbeids, op het akkerland.

Het schuim beleekt zijn' kromme knie'n,

terwijl hij, zonder ommezien,

verduldig heen- en wederzwoegt,

en 's koeiboers loopken lands herploegt.

Het karit en het kurt, nooit moe,

vol vogelvee, heel 't hof, daartoe;

en telkens hoore ik, hier en daar,

den tegenroep van Canteclaar.

't Herleeft entwat, onzeglijk bij

der menschen mond, hoe schrander hij

ook wezen moge, en... 't leven is,

het leven - Gods geheimenis!