De tijd

J. Wierts

Weêrstaat er wel iemand,

of iets, buiten U,

den terd van den tijd

onbetembaar?

Is 't hier of is 't elders,

is 't morgen, is 't nu:

wie weet, en wie maakt

het mij kenbaar?

Geen steenen, geen staven,

geen ijzer, geen staal

en kunnen den tijd

in den band doen.

Die eeuwig alleene

zijt, zult het metaal

den tijd om den hals,

met uw' hand, doen.

Dan staan zal hij stille,

gebonden, geboeid;

zijn zeisen geroofd

en zijn tijdglas;

voor eeuwig uit alles

gebannen, geroeid,

daar eerst het gebied

van den tijd was.