Mater dolorosa

J. Wierts

o God, Gij weet mijn hert,

't en bleef U nooit gedoken;

Gij weet wat ik gedacht,

gewild heb en gesproken;

Gij zijt, van kindsbeen af,

mijn' hope en mijn bestaan:

vergeeft, heb ik U ooit

ondankbaar iet misdaan!

En nu, dat ik zoo diep

ben van de dood geslegen,

mijn blomken afgeplukt...

gekist en uitgedregen,

[o God, aanhoort mij, en,

in al Uw' goedheid groot,

verlost mijn herte, dat

benauwd is tot der dood!]

Gij laagt eens in den hof,

en zweettet, op de steenen,

van angst, Uw dierbaar bloed:

ach ziet mij zitten weenen,

alleen in huis! Mijn huis,

dat ijdel is, beroofd

van leven, vier en vonke,

en alles uitgedoofd!

Staat op, Gij, Heere, en vat

mijn' handen! Stelpt de bronnen

mijns weenens, die bijna

zijn uit- en afgeronnen;

laat volgen mij met U,

met U ten Kruise gaan,

en, droeve moeder, naast

Uw' droeve Moeder staan!