Prometheus
Jan Willem Frans Brandts-Buys
Bedek nu maar je hemel, Zeus,
Met wolkendamp
En oefen, zoals een knaap
Die distels kopt,
Op eiken maar en bergtoppen;
Echter, laat mijn aarde
Wel netjes staan,
En ook mijn hut ja, niet door jou gebouwd,
En ook mijn haard,
Waarvan de gloed
Je ziet met afgunst.
Ik ken echt niets zieligers
Onder de zon dan jullie, goden!
Jullie voeden
povertjes
Met offergaven
En gebedslucht
Jullie majesteit
En hongerden, waren
Niet kind'ren en schooiers
Hoopvolle dwazen.
Toen ik een kind was,
Niet wist van waaraf en waaraan,
Keerd' ik mijn verdwaasde oog
Naar de zon toe, als was boven wel
Een oor, dat naar mijn klacht zou luist'ren,
een hart als 't mijne,
dat de bedrukte hoop zou geven.
Wie hielp mij
Tegen der Titanen overmoed?
Wie redde uit de doodsnood mij,
Uit slavernij?
Heb je niet alles zelf verwerk'lijkt,
Heilig gloeiend hart?
En bracht jij, jong en goed,
Bedrogen, reddingsdank
De slapende daarboven?
Ik jou eren? Waarvoor?
Heb jij de pijnen verminderd,
Ooit, van de lijdende?
Heb jij de tranen gestelpt,
Wel ooit, van de angstige?
Heeft niet mij tot kerel geslagen
De almachtige Tijd
En het eeuwige Noodlot,
Mijn bewind en 't jouwe?
Dacht je bijvoorbeeld:
Ik moest wel het leven haten,
Naar woestijnen vluchten,
Daar niet alle
Bloesemdromen rijpten?
Hier zit ik, boetseer mensen
Naar mijn gestalte.
Een geslacht op mij lijkend,
Door lijden, door huilen,
Door genieten en door blij te zijn
En jou niet te tellen,
Als ik!