Welkom en afscheid
Johann Friedrich Reichardt
Mijn hart sloeg fel, meteen te paard nu!
Ik deed het al voordat ik dacht;
De avond wiegde al de aarde
En aan de bergen hing de nacht.
Reeds stond de eik in mist gevangen,
Een torenhoge reus, naar 't leek,
Waarnaar
duisternis uit heestergangen
Met honderd zwarte ogen keek!
De maan vanaf een wolkenheuvel
Keek zielig tussen dampen door,
De winden sloegen zacht hun vleugels,
En suisden huiv'rend langs mijn oor;
De nacht schiep duizend spookeskaders,
Maar ik was vrolijk van gemoed:
Mijn bloed joeg brandend door mijn aders!
Mijn hart was niets dan vuur en gloed!
Jou zag ik en de milde vreugde
stroomd' uit jouw lieve blik naar mij.
Jij was de vrouw die voor mij deugde,
Voor wie ik ademde was jij.
Een voorjaarslucht met tere roden
Gaf je gelaat zacht coloriet,
En tederheid voor mij "o, goden!"
Ik hoopte 't, ik verdiende 't niet!
Maar ach, bij d'eerste ochtendbeelden
Beklemt het afscheid al mijn hart:
O, in jouw kussen, wat een weelde!
Maar in jouw ogen, wat een smart!
Ik ging, jij stond, heel stil geworden,
En keek mij na, volkomen stuk,
En toch, 't geluk bemind te worden!
Te minnen, goden, welk geluk!