Aan de vertrokkene

Johann Heinrich Carl Bornhardt

Dus heb ik werk'lijk jou verloren?

Ben jij, o schoonheid, mij ontvlucht?

Steeds meen ik nog jouw stem te horen,

Nog ieder woord, nog elke zucht.

Zoals de wand'laar in de morgen,

Vergeefs met 't oog de lucht doordringt,

Als in het ruime blauw verborgen,

Hoog boven hem de leeuw'rik zingt:

Zo tracht mijn blik jou weer te vangen

In veld en bos, beangst en vlug;

Jou roepen steeds weer al mijn zangen:

O kom, geliefde, naar mij t'rug.