Sluimer

Johannes Hendrik van Wijngaarden

Stil! - Duizend-oogig spiegelt zich in 't meir

De nacht, en laat haar bleeken luchter beven,

Die honderd sneeuwen sluieren doet zweven

Om 't, rond de diepte rijend, rotsenheir.

En Sluimer daalt, op vlinder-wieken, neer,

Met wuivend rijs, waaraan de druppen beven,

Die, dauwend, droom en zoet vergeten geven,

En zweeft, in schaduw, peinzend heen en weêr.

En in mijn dolend hulkje, dat er glijdt

Langs 't kabblend zilver, zet hij zich; ik zie

Hem teeder-blikkend over mij gebogen.

Hij lacht mij aan, ontplooit de wieken wijd...

Ik hoor een sluimerende melodie,

En weet niet, wat mij lood-zwaar viel op de oogen....