Prometheus

Julius Röntgen

Bedek nu maar je hemel, Zeus,

Met wolkendamp

En oefen, zoals een knaap

Die distels kopt,

Op eiken maar en bergtoppen;

Echter, laat mijn aarde

Wel netjes staan,

En ook mijn hut ja, niet door jou gebouwd,

En ook mijn haard,

Waarvan de gloed

Je ziet met afgunst.

Ik ken echt niets zieligers

Onder de zon dan jullie, goden!

Jullie voeden

povertjes

Met offergaven

En gebedslucht

Jullie majesteit

En hongerden, waren

Niet kind'ren en schooiers

Hoopvolle dwazen.

Toen ik een kind was,

Niet wist van waaraf en waaraan,

Keerd' ik mijn verdwaasde oog

Naar de zon toe, als was boven wel

Een oor, dat naar mijn klacht zou luist'ren,

een hart als 't mijne,

dat de bedrukte hoop zou geven.

Wie hielp mij

Tegen der Titanen overmoed?

Wie redde uit de doodsnood mij,

Uit slavernij?

Heb je niet alles zelf verwerk'lijkt,

Heilig gloeiend hart?

En bracht jij, jong en goed,

Bedrogen, reddingsdank

De slapende daarboven?

Ik jou eren? Waarvoor?

Heb jij de pijnen verminderd,

Ooit, van de lijdende?

Heb jij de tranen gestelpt,

Wel ooit, van de angstige?

Heeft niet mij tot kerel geslagen

De almachtige Tijd

En het eeuwige Noodlot,

Mijn bewind en 't jouwe?

Dacht je bijvoorbeeld:

Ik moest wel het leven haten,

Naar woestijnen vluchten,

Daar niet alle

Bloesemdromen rijpten?

Hier zit ik, boetseer mensen

Naar mijn gestalte.

Een geslacht op mij lijkend,

Door lijden, door huilen,

Door genieten en door blij te zijn

En jou niet te tellen,

Als ik!