Het kindeken en het graf

K. Candael

Zeg toch, Moeder, liefste Moeder,

waar ging Vader henen, zeg?

Sedert dat hij mij dien zegen

en dien zoen gaf, bleef hij weg!

Elken nuchtende, als het dag wordt,

bid ik God den lieven Heer

dat hij moge wederkeeren:

Vader, komt gij nimmermeer?

Heb ik ievers kwaad bedreven,

Moeder? Moeder, zeg het mij,

smeeken zal ik ende bidden

dat het mij vergeven zij!

Schaapke, neen toch! 't minste kwaad niet

hebt ge mij of hem gedaan!

Vader is van huis, is... moeten

naar een verre streke gaan.

U gaf hij zijn laatsten zegen

en... en keert, en keert nie' meer...!

Ziet gij daar dat houten kruiske,

tegen 't Kruis van Onzen Heer?

In de schaduw van de wilge,

daar ligt Vader teêr bemind!

en nu zijt gij zonder Vader,

zonder Vader zijt ge, kind!

En de Moeder leedde 't knaapke

weenend naar het kerkhof toen,

bad, en deed het mèt heur bidden

en zijn handtjes thoope doen.

En wanneer de koele navond

kwam gegaan, daar bad zij nog:

en het kindtje weende traantjes

ende zuchtte: Moeder toch?...

En wanneer de dumstre navond

land en bosch in 't donker lei,

weende 't knaapke, maar zijn Moeder

hoorde niet, al wat het zei.

Wat 't al trok en wat 't al weende,

wat 't al smeekte en bitterlijk

riep en wederom riep, Moeder

'n hoorde 't niet, zij was een lijk!

Toen, de klokke klopte 's anderdags

het kloppend rouwgeklag

over eene die te rusten

bij heur man in de eerde lag.

Toen, daar zag men, lang nadien nog,

daaglijks al van 's morgens vroeg,

zag m'aldaar een kindtje komen,

dat zijn hand vol bloemen droeg.

Daaglijks, ja, tot als de dag kwam

dien het lang verlangde, eilas!

dat het ook zijne oogskes look, en

vloog alwaar 't geen weeze en was.

't Lijkske lag, den geest ontvlogen,

daar 't weleer te weenen plag:

'Ligt dáár' zei m'het al begraven,

'ligt dáár, tot den laatsten dag!'