De wilde wind

K. Dejonghe

Deur 't haaghout raamt

de wilde wind,

verblind,

zijn' reuzensprongen:

en al dat ooit

hem tegenstaat

verlaat

hij, losgewrongen.

Gebogen hier,

gebroken daar,

malkaar

de boomen schenden;

die, scheurende uit

den gronde, huis

en thuis

den gruw inzenden.

Nu maalt hij hout

en stof en steen

deureen,

en roert daaronder,

met gramme, en al

te hol, te dol

gegrol,

zijn stemmendonder.

Hij steent gelijk

een stier, die raast

en blaast;

die, al ten bloede,

zijn' hoornen in

de boomen steekt,

en breekt,

van louter woede.

Hoe schommelt en

hoe rommelt hij,

voorbij

den bosch, gebezen!...

Wie durft er, als

zoo'n wilde wind

begint

onwaakzaam wezen?