Het was een blonde kerel

K. Mestdagh

Het was een blonde kerel,

een jeugdige minnestreel,

en had hij burcht noch landen,

begeestring was zijn deel.

Het was een blanke maged,

een bloem in vollen fleur,

met hemelblauwige ocgen

en wangen van rozenkleur.

En bonte liedjes, als vogelen,

verrezen uit zijn hert,

vol heimelike woorden,

vol onbekende smert.

Zij droomde bonte droomen

bij 't hooren van zijn lied,

maar vatten wat het zeide, --

de schuchtere dorst het niet.

Hij zong van hijgend largen

en oogen, blauw en zoet,

van lachende rozenlippen

en lievend meider gemoed.

Doch achter elk dier zangen

één zelfde beeld verrees,

en 't blonde meisje aanschouwde 't

met vreemde, zoete vrees!

Nooit had hij heur gesproken,

ten zij door lied of traan, --

maar 't spiegelend maagdenherte

had traan en lied verstaan!

Nooit had hij heuren name

gemengeld in zijn lied, --

maar 't lievend hert der maged,

o dat bedriegt zich niet!

Toen liep zij waar in 't lommer

de wilde roze bloedt,

en immer luidden zijn liedren

door heur ontrust gemoed!

Toen viel er van heur lippen

op eens een heimlik woord,

en in heur binnenst klonk het:

"O! zoo hij 't had gehoord!"

En plots door 't wiegend loover

sprankelden tonen rond,

en bevend sloeg de maged

de vochtige oog ten grond!

O wondere, blijde sage!

O minnerozenblaan! --

Daar stond de blonde Zegger

en sprak heur smeekend aan!

"'k Heb u zoolang betracht, o,

zoolang in stilte aanbeên!"

Zij dierf hem niet bestaren

maar borst in luid geween... --

Alover de doomende weide

klinkt blij het minnelied! --

Hun herten waren verbonden,

en de afgrond scheidt ze niet!