O zend mij dijn groet

K. Mestdagh

En als de verre heide dan

zal liggen tusschen u en mij,

en ik zal toeven, alleen en droef,

zoo ver van hier, zoo ver van dij!

Vergeet mij niet! Vergeet mij niet!

maar starend somtijds naar dien kant

langswaar de plicht mij heden roept,

zend mij dijn groet met blanke hand!

Vergeet mij niet! Vergeet mij niet!

gelijk ook ik dij niet vergeet,

en aan dij denk en van dij droom,

waar ik ook ben, waar ik ook treed!

Vergeet mij niet! Bijzonder in

dijn beden, kind, en vraag voor mij

al waar ik daaglijks God om smeek:

« Dijn min voor mij! mijn trouw aan dij! »

o Doe het! En wanneer ge dan

al wandlen in den avondgloed,

aan vaders hand, aan moeders arm,

een bloeme, op uwen weg ontmoet,

o pluk ze, kind, en denk aan mij,

en denk dat dij mijn hand het biedt,

en murmel, ziende naar het West:

« 'k Vergeet dij niet! ' k Vergeet dij niet!...»

En als het windje zacht en koel

u kussen komt het voorhoofd blank,

of, uit de westelike vert

u brengt nen verren, zoeten zang!

Denk dan, mijn kind, dat ik het ben,

ik die ginds murmel in mijn lied:

« Hoe ver van dij! Hoe ver! Hoe lang!

'kVergeet dij niet! ' k Vergeet dij niet!... »