Aan de maan

Karl Sigmund Freiherr von Seckendorff

Jij vervult weer bos en dal

Stil met neev'lig licht,

Maakt nu eind'lijk en totaal

Mijn ziel los en licht.

Jij kijkt mild van ver en hoog

Over mijn gebied,

Als een vriend'lijk vriendenoog

Dat mijn zorgen ziet.

O, hoe echoot in mijn hart

Blijd' en droeve tijd.

'k Pendel tussen vreugd en smart

in de eenzaamheid.

Vloei maar, vloei maar, beste stroom!

Nooit meer word ik blij;

Zo vervlogen scherts en droom,

En de trouw erbij.

Toch bezat ik dat eenmaal,

Wat zó kostbaar is!

Dat men toch, al is 't een kwaal,

't Elke dag weer mist.

Ruis, rivier, het dal maar door,

Zonder rust en zonder duur,

Ruis en fluister in mijn oor

Melodieën puur,

Als je in de winternacht

't land bestormt en kwelt,

Of rond jonge knoppenpracht

In de lente zwelt.

Zalig, wie zich van de drukt'

Afsluit zonder haat,

Die een vriend aan 't harte drukt

En met hem verstaat,

Wat, voor mensen onverklaard

Ofwel niet bedacht,

Door de doolhof van het hart

Rondzwerft in de nacht.