Meilied
L. Brandts Buijs
'k Heb in den groenen gaarde
gedwaald den ganschen dag,
waar ik zweefde en staarde
't botte alles wat ik zag.
Aan ieder takje hong een knop
bepereld met een morgendrop,
in ' t licht der zon te beven....
Joch-hei!
« Wilt blide ende vroolic sijn! »
De Mei
Vernieuwt het leven!
Flus ben ik heengetogen
naar ' t woud, ' t herbloeiend woud:
'k Heb, wen de vogels vlogen,
in ieder nest geschouwd.
In elke woning, nog zoo klein,
liggen thans eiers, rond en rein,
waarrond de paarkens zweven...
Joch-hei!
« Wilt blide ende vroolic sijn! »
De Mei
Vernieuwt het leven!
Gij bloemekens langs de hagen,
ruischt voort, ruischt welgemoed,
als woudt gij zoentjes vragen
aan wind en zonnegloed.
Gij lievekens, die des avonds laat
zoo vaak langs ruischende hagen gaat,
waakt op, niet thuis gebleven.
Joch-hei!
« wilt blide ende vroolic sijn! »
De Mei
Vernieuwt het leven!