Blijde kinderen

L. De Vocht

Aan Klaus Groth

den platduitschen dichter

Blijde kinderen,

blom des levens,

kleene Kerke Christi, ci!

driemaal moet ge

zalig heeten

gij, die zonde- en zorgloos zijt!

Blijde kinderen

doet mij peizen

niet op een vergramden God,

niet op een aan

't Kruis gekruisten

noch op Thabor stralenden,

maar op Hem, die,

in de krebbe,

kind lijk gij, lag, alderliefst,

bij Maria,

bij sint Joseph,

bij den ezel, bij den os.

Loopt en speelt nu,

blijde kinderen,

noch en staat niet, omdat ik

hoog en groot en

boven u ben:

gaat en speelt toch, kinderen... gaat.

'k Heb, 't is waar, 'n

dieper voorhoofd,

maar 't was eertijds blijde en glad,

en o, mocht het

nu nog wezen

lijk het uwe - kinderkens!

'k Hebbe blâren,

'k hebbe blommen,

'k heb mijn hand vol vruchtgewas,

daar mij... daar mij

zoo veel doornen

vooren staken, als ze ik las!

Gaat en speelt, noch

wilt benijden

dat ik wete, o, al te wel,

wat het is den

Heer van alles

niet te minnen zoo gij 't doet!

Gaat en speelt, ze

zullen komen

die u willen leeren dat

't moet een andere

als de ware

zijn, die God is van uw hert;

dat er buiten

uwe wereld, -

blom- en plantenwereld, waar

gij nu spelend

loopt en zingend, -

nog een andere wereld waakt;

andere wereld,

ander leven

als het uwe nog is nu:

God beminnen

en uw vader

en uw moeder en uw spel;

dat het leven

is uw zelven

eerst beminnen boven al,

dan, uw zelven

alles geven

en uw zelven om... geen een!

Blijde kinderen,

blom des levens,

kleene Kerke Christi, ach,

mocht gij altijd

kinderen blijven

en ik een van u!... Eilaas!