Afscheid

L. Mortelmans

Dees kus, melieve! van uw mond

Blijft op mijn lippen kleven,

Tot dat ik dien. in blijder stond,

U maagdlijk weer zal geven.

Het oog, dat mij zoo teeder groet,

Doet mij verdubbeld blaken;

Het. traantje, dat gij weenen moet,

Moet mij nog trouwer maken.

Ik verg geen pand der min, tot troost,

Bij 't eenzaam ommedwalen,

Voor 't hart, welks liefde niet verpoost

In ieder ademhalen:

Geen schrift! Tot tolk van mijn gemoed

Zou 't alle kracht ontbreken.

Wat baat een ijdle woordenvloed?

Alleen het hart kan spreken.

Bij dag en nacht, in lief en leed,

Blijft dat uw beeltnis dragen,

En klopt, ofschoon het niemand weet,

Voor u in al zijn slagen.