De zwane

L. Mortelmans

Des hemels spiegel, mild en frisch,

de lucht in 't ronde lavend,

daar ligt de vijver maagdelik schoon

in stillen zomeravond.

En kalm in haren avondlust,

bij 't zoet gesching der mane,

ligt langzaam drijvend op het meer

de droomerige zwane.

De dichterlike vogel mint

het maagdelike water,

en baadt wellustig, spiegelt, drinkt,

aanhoort het lief geklater.

En onbewust bemint hem 't meer

en streelt zijn blanke veder,

en klatert zacht en spiegelt hem

zoo teêr zijn beeltnis weder.

Doch weiger en bescheiden in

bewondering verslonden,

nooit heeft des vogels reine min

die maagdelikheid geschonden.

[Zoo dichtte ik - doch voor mij aleen,

onschuldig kind - den avond

dat gij mij spraakt, zoo onbewust

een dichterziele lavend.]