Doornroosje
L. Mortelmans
Doornroosje, zeg, ben je wakker?
Is je slaap geeindigd voor goed?
Doornroosje, zeg, ben je wakker?
Voel je bruisen je frisaieugdig bloed?
Heb je je oogjes geopend?
Zie je de zonneschijn?
Doornroosje, zeg, ben je wakker?
Ben je nu, blijf je nu mijn?
Hield men zo lang je gevangen?
Was 't om je hartje zo koud?
Hield men zo lang je verborgen
op bet somberste plekje van 't woud?
Kon er dan niemand je wekken?
Gingen alien darn, alien voorbij?
En had dan bet Noodiot besloten
dat je wacbten zou, wachten op mij?
En 'k heb je gevonden, Doornroosje,
ik, die je toch niet zocht I
Ik heb je gevonden, Doornroosje,
en 'k heb je veriossing gebrocht.
'k Heb me over je slaap gebogen,
met de lippen je voorhoofd geraakt,
mijn lippen geprest op je lippen,
en — ben je nu heus ontwaakt?
Doornroosje, ben je gelukkig?
Kwam bet Wonder dan eindlik tot jou?
Begrijp je nu 't levee, Doornroosje,
en wat liefde is, weet je bet nou?
Ook voor mij kwam bet wonder, Doornroosje,
en is d it niet bet beerlikste loon?
Nu weet ik, wie 'k ben, Prinsesje:
— ik ben een koningszoon!
Wel heb ik noch schepter noch krone —
en wat zou ik er oak wel mee doen?
Doth doden kan ik verwekken
alleen door de gloed van mijn zoen.