Ellen, een lied van de smart

L. Mortelmans

Ik droomde 't Leeven als een groot, groen bosch,

De voogels zweegen en het loof hing stil,

De beeken vloeiden niet, geen windgerucht

Voer door de takken - en het gras boog niet, -

Eenzaam lag ik daar, tusschen zwijgend loof,

Het was een bange droom, - want alle dingen

Die ik toch schoon wist, waren mij zoo vreemd,

Spooken van schoonheid in vaal schimmenlicht. -

Toen zag ik dalen, in een aureool

Van cirkels blaauw en goud, een witte duif,

En met die brak ook 't zongoud oover 't al,

Kwam wind aanruischen, en het woud werd vol

Voogelenstemmen en zacht beekgezang,

Zoodat het eenzaam schoon dier doode dingen,

Opvonkelend in blij en leevend licht,

Leefde te saam in 't allerhoogste Schoon

Gij, Liefste! zijt het sneeuwwit middenpunt

Van mijne waereld, en in U vereend

Worden de stralen van mijn Lichtbestaan.

Gij, liefste! zijt mijn bloeyend akkerland,

Waaroover wijd God's blaauwe heemel straalt.

Hóóg spruit het heerlijk-gouden graan, dat zijn

Uw heerlijk-gouden woorden - en daarin

Zie ik de bloeme-sterren heemelblaauw,

De blaauwe vonken van God's heil'ge Liefde. -

Stil ga ik 't smalle pad, zon in mijn hart,

Ligt is mijn voet, de koorenhoofdjes streelen

Mijn blijde, wijde handen en ik fluit, -

Hoe is de zon zoo licht! mijn Lief zoo goed!