In 't avondduister dwaal ik

L. Mortelmans

In 't avondduister dwaal ik

Den weg op langs haar huis;

Van liefde lispt het maanlicht

Met 't popelbladgesuis.

Dat huis is 't heilgenschrijntje,

Waar 't heiligje in woont,

Dat wondren doet en liefdrijk

Mijn eeredienst beloont.

Wanneer 'k hier kom aanbidden

En siddrend opwaarts zie,

Dan glanst er een aureole,

Om 't huis, van poëzie.