Meidag

L. Mortelmans

De kerzelaar zijn trouwgewaad

heeft aangedaan:

vandage moet hij, meidag is 't,

ter bruiloft gaan.

Elk taksken is een priem nu, die,

bewonden, wit,

tot tenden, in een' witte schee

van blommen zit.

Beruwrijmd, was hij schoon, wanneer

de winter woei:

veel duizendmaal is schoonder nu

zijn blomgebloei.

Te winter was zijn' schoonheid als

een' beeltenis

des levens: koud en ijdel, zoo

de schaduwe is.

Geen schaduwbeeld en is hij nu,

geen schijn, maar al

dat schoon is, al dat levende, en

dat liefgetal.

't Is bruiloft, en 't is zonneweêr:

de zomermeid

den bruidegom verwacht, die haar

was toegezeid.