Nog gisteren hield ik u omvangen
L. Mortelmans
Nog gisteren hield ik u omvangen,
nog gisteren heeft uw liefdewoord,
bekorend als de woudgezangen,
het smeltend herte mij bekoord!
Nog gisteren, in uw lieťdrijke oogen,
lijk ' t beeksken in het manelicht,
baadde ik mijn blikken, zoet bewogen
door ' t stralen van uw rein gezicht!
Nu is dat heen! ….. En klinkt nog zachte
uw stem me in de ooren, gij zijt heen!
en, met mijn spokende gedachte,
moet ik weer dwalen, gansch alleen!
En ik versta dat men kan sterven,
vergaan van ongekende pijn,
als ' t hert zijn eengen troost moet derven,
en 'k voel dat zulk een treurig sterven,
aan de afgesloofde ziel een zoete stond moet zijn!