't Wordt nacht in mij

L. Mortelmans

't Wordt nacht in mij. O, breng terstond

De harp, die 'k nog vermag te hooren,

En zweve uw zachte vinger rond,

En streele uw lied mijn luistrende ooren.

Is daar een hoop, die niet vervloog,

Uw lokstem zal haar op doen komen,

En brandt mij nog een traan in 't oog,

Gij zult dien zalvend uit doen stroomen.

Doch klinke uw toon eerst bang en zwaar;

Bespaar uw honigzoete noten;

Want ik moet weenen, harpenaar!

De smart is in mijn hart besloten;

Ik heb haar lang en trouw gevoed,

In nachten, door geen slaap bevangen;

Het uur is daar dat 't barsten moet,

Of zacht zich oopnen voor uw zangen.