Pharao's minne
L. Orthel
Bijna verheugde hij zich dat zij jong doodging,
Voor allen maagd, een onvermoede vrouw
Die in geen nagedachtnis leven zou
Van andren, neen, alleen voor zijn vergoding.
Tot eeuwigheid wies de eene vluchtge nacht
Dat hij haar bevend in zijn armen had.
Tot op een nauwe spleet sloot hij de schacht;
Er bleef geen toegang over naar den schat,
Dan voor zijn geest, die later door de engte
In de gedaante van een kleinen valk
Bezweven kwam de zware katafalk
Waar zij diep in lag, slank, in volle lengte:
Bloesemgeblevene, de smalle borst
Zwellende onder 't strakgezwachteld gaas;
Hij vond altijd tot aan den rand der vaas
Het water staan: haar schaduw leed geen dorst.
Steeds vlood hij 't praalgraf waar hij lag en heerschte,
Door zinrijke muurschildering omschoofd,
De zware roode en witte kroon op 't hoofd,
Bezeten door 't verlangen naar de teerste,
Zoo koel in heel de heete eeuwigheid
Alsof ze een lelie was, in ijs bevroren.
Háár graf behield zijn stilte, diep, altijd
Dezelfde, en ging haar meer en meer behooren