Sidderende liefde

L. van Tetterode

Beklemd door d'ernst der plecht'ge boomen - zuilen

Van welken tempel? - die hun kruinen vlechten

Tot welving zwaar, waar zilverlicht wil vechten

Met zwarte schaduw, voel ik schimmen schuilen

En schuiven suizlende in het loof. - Daar hechten

Zich klamme handen aan mijn kleed, in kuilen,

Mijn voeten zwelgend, hongren monstermuilen. -

O donkre Machten, wil' met mij niet rechten!

Doch plots, voor licht en blanken hemel open,

Een veldje geel van 'sidderende - liefde'.

Mijn pooplend hart wordt stil en wil weer hopen

En d'angst vergeten, die 't zoo bang doorgriefde

En, vlinder-bevend, in de erinnring doopen

Van lang voorbije, bloemeblije liefde.