Verloren is 't gepijnd

M. Cambre

Tempus non erit amplius. Apoc., X, 6.

Verloren is 't gepijnd om aan

den tijd, die immer voort moet gaan

een paal te zetten:

ja, stelt u maar en schoort u stijf,

ge 'n zult, met al uw leên en lijf,

zijn' baan beletten.

Hij lacht met u, en, moegesold,

gij vechtend in de vore rolt,

daar 't eeuwig varen

zijns wilden strooms voorbij u voert,

en zegepralend henenroert,

zijn' ruwe baren.

Hij stampt de hooge boomen om,

hij buigt den berg zijn' lenden krom,

hij springt de banden

van staal intween, die vastgedaan,

bij stede en stad, hem wederstaan,

in alle landen.

Geen' wet en weet hij, noch 't en zal

hem dwingen eenig ongeval:

geen' legerbenden,

geen' wapens, geen geweld van iet

dat donderbusse of boge schiet,

en kan hem schenden.

Onraakbaar is hij, vluchtende ooit

en vechtende; verderfnis strooit

hij op die wilden

weêrzetten hem 't zij burgten van

orduin gebouwd, 't zij duizend man,

't zij duizend schilden.

't En breekt den boozen beul, van al 't

geween dat hem te voeten valt,

geene enkele smerte,

geen' Bethlehemsche kinderdood,

geen leêggeroofde moederschoot,

zijn steenen herte!

Zoo moet hij varend henengaan,

en al dat is aan stukken slaan,

tot ander' stonden,

dat hij ook eens, het licht ontzeid,

voor eeuwig hebbe in de eeuwigheid

zijn' dood gevonden.