De reuze

M. Cohen

Uitgekleed, in 't zonnebranden,

al uw' leden naakt en bloot,

heerscher in de nederlanden,

koning van de bosschen groot,

eekenboom, zoo sterk voorheden,

wie dan heeft u neêrgestreden?

Winden vielen, vast en vele,

stormende u, en stootende, aan;

grepen u bij hals en kele,

wilden u in 't zand gedaan:

staan zoo liet het al te booze

windgevaarte u, schrikkelooze!

Donderende drakentoten,

hemelmachten, onbekend,

vonken viers en vorken schoten,

dapper, u den top omtrent:

niets en heeft ontroerd, of onder 't

bliksemvier u neêrgedonderd.

Wie dan heeft u omgestreden,

groene reus, met al uw' macht;

naakt en bloot uw' schoone leden,

effenvloers, in 't zand gebracht?

Wie kon al uw' krachten dwingen,

haarlooze, en in schande u bringen?

Staan en blijft vóór menschenhanden

niets, 't en zij dat eeuwig leeft;

koning van de nederlanden,

sterk is Hij, die nooit en beeft:

't menschdom heeft u, baas bedegen,

groenen reuze, omneêrgekregen.