Heetepootjes

M. De Backer

Een schalkaard had een bie gevaân

en hield ze bij heur vleren:

'Komt hier! - hij zag een jongske staan! -

komt hier mijn knappe kerel!

Hier heb ik zulk een schoon fatsoen

van beestje, ik wil 't u geven:

past op maar van 't niet dood te doen,

en laat het beestje leven.

Kom aan; jen hand; doet toe, 't vliegt weg;

doet toe, want 't gaat ontsnappen!'

't Kind hield zijn handtje toe: 'Nie' waar,

hoe schoon dat is, hoe lieflijk!'

Ha! 't kindtje wierd te laat gewaar

hoe schoon en hoe bedrieglijk.

Het liet het beestje los, en 't loeg

de traantjes uit zijn oogskes,

en zei 't: 'Het beestje is schoon genoeg,

maar 't heeft zulke heete pootjes.'