Ik misse u

M. De Backer

Aan eenen afwezenden vriend

Ik misse u waar ik henenvaar

of waar ik henenkeer:

den morgenstond, de dagen rond

en de avonden nog meer!

Wanneer alleen ik tranen ween

't zij droevig het zij blij,

ik misse u, o ik misse u zoo,

ik misse u neffens mij!

Zoo mist, voorwaar, zijn wederpaar

geen veugelken in 't net;

zoo mist geen kind, hoe teer bemind,

zijn' moeder noch zij het!

Nu zingt men wel en 't orgelspel

en misse ik niet, o neen,

maar uwen zang mist de orgelklank

en misse ik al met een.

Ik misse u als er leugen valsch

wil monkelen zoo gij loecht,

wanneer gij zacht mij verzen bracht

of verzen mededroegt.

Ik misse u nog... waar hoeft u toch,

wáár hoeft u niet gezeid...

Ach! 'k heb zoo dikwijls heimelijk

God binnen u geleid!

Dáár misse ik u, dáár misse ik u

zoo dikwijls, en, ik ween:

geen hope meer op wederkeer,

geen hope meer, o neen!

Geen hope, neen, geen hoop, hoe kleen,

die 't leven overschiet';

maar in den schoot der goede dood

en misse ik u toch niet?

(Voor Eug. Van Oye)