Nachtegale-schuifelare

M. De Backer

Nachtegale

Schuifelare

meester van het machtig lied

dat uw gorgel,

levende orgel,

uit de groene takken giet.

Laat mij naderen

en de bladeren

eens doorkijken, waar gij zit,

die zoo vreugdig,

jong en jeugdig,

uw' en mijnen God aanbidt.

Wonderbare

kunstenare,

is uw macht niet overdaan,

van te galmen

zulke psalmen,

veertig dagen zonder staan?

- 'Neen, ik uite,

zinge en fluite

lustig mijne lied'ren al,

tot ik leven

hebb' gegeven

aan dat na mij zingen zal.'

Uit de lauwe

zuidergauwen,

half April, 't zij warm of koud,

komt gij 't blijde

lentgetijde

groeten in het bottend hout.

- ''k Ben een blomme

die rondomme

bloeit in helder klankgeblaârt,

tot dat verf en

klank verderve,

blijvende in de vrucht gespaard.' -

Uw schalmeie

klinkt te Meie

over 't koolzaad goudgekleurd,

klinkt als d'hagen

bloeien dragen

en de lucht jasmijnen geurt.

Heinde en verre,

blomme en sterre,

vogel, dier en zongestraal,

beken, baren,

bosschen, blâren,

alles zingt één liefdetaal.

Die de kleuren

en de geuren

ons ten voetschabelle leit,

houdt onze oogen

opgetogen

door uw lied van dankbaarheid.

Ja! maar boven

alle loven

zal des menschen tale slaan,

en des Heeren

lof vermeêren,

verder dan de tijden gaan.

Nachtegale

Schuifelare,

hier is 't lied dat wij getween,

wisselzingend,

u zijn bringend,

elk zijn deel of waar 't al één.

Zóó ook bouwden

eens twee ouden,

heilig nu, zoo dan nog niet,

en van vlerken

even sterke

dichters, 't schoon

Te Deum

lied.