Mijn Algonkwin

M. de Jong

“Als ik op hem peize, peize,

ai mij, ai mij, die geplant staat

in mijn herte, diepe, diepe,

mijn beminden, mijn Algonkwin!

Ai mij, ai mij, als wij scheidden,

hong hij wampum om den hals mij,

als een teeken, sneeuwwit teeken,

mijn beminde, mijn Algonkwin!

'k Wil met u gaan, laat mij, laat mij,

'k wil met u, tot 's werelds enden,

zei hij, 'k wille, ach laat mij, laat mij,

mijn beminde, mijn Algonkwin!

Veel te verre, verre, verre is,

zei ik, veel en al te verre is

moeders huis, ach, verre, verre,

mijn beminde, mijn Algonkwin!

Als ik keek naar hem, en scheiden,

als wij scheiden moesten, scheiden,

keek hij nog en keek hij nogmaals,

mijn beminde, mijn Algonkwin!

Bij dien boom daar bleef hij, bleef hij,

dien gevelden boom, en kijken,

die daar ligt in 't water, bleef hij,

mijn beminde, mijn Algonkwin!

Als ik op hem peize, peize,

ai mij, ai mij, die geplant stond

in mijn herte, diepe, diepe,

mijn beminden, mijn Algonkwin!”