Hy droegh onse smerten

M. Flothuis

T'en sijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,

Noch die verradelijck u togen voort gericht,

Noch die versmadelijck u spogen int gesicht,

Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten,

T'en sijn de crijghs-luy niet die met haer felle vuysten

Den rietstock hebben of den hamer opgelicht,

Of het vervloecte hout op Golgotha gesticht,

Of over uwen rock tsaem dobbelden en tuyschten:

Ick bent, ô Heer, ick bent die u dit hebt gedaen,

Ick ben den swaren boom die u had overlaen,

Ick ben de taeye streng daermee ghy ginct gebonden,

De nagel, en de speer, de geessel die u sloech,

De bloet-bedropen croon die uwen schedel droech:

Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden.