Een vrouw, die niet als zingt en tuyt
M. Reynvaan
Die anders niet en kan, als zinghen, speelen tuyten,
Is geenzins fray, zoo deught en eerbaerheydt staen buyten.
Een Vrouw die niet als zingt en tuyt,
Die garen danst, en die de Luyt
Schier nimmer uyt haer handen leydt,
Fy, fy, dat is lichtveerdicheydt.
Maer is het niet een hemel schier,
Te zien hoe dat een geestigh dier,
Met zang of spel haer man verquickt,
Als 't noodigh huyswerck is beschickt?
Misbruyck verkeert het zoetste zoet
In walchelijck en bitter roet,
lae heylzaem nutte medecijn,
T'ontij t ghebruyckt, keert in fenijn.
Dan die zijn oogh op 't eeuwigh slaet,
De tijdelijcke fraeyheydt laet:
Die met al 't weereltsche ghespoock
Verdwynen zal als windt en roock.