Dorpsdans

Oscar van Hemel

De vedel zingt, waar roos en wingerd-ranken

Verliefd omhelzen 't huis des akkermans,

En gloeien in den avond-purper-glans, -

En twintig menschen rijzen bij die klanken;

Het avond-maal heeft uit: van disch en banken

Verdween der jonkheid blij geschaarde krans, -

De vluge voeten reien zich ten dans,

En de arm buigt om de leesten heen, de slanken:

Daar tripplen zij en stampen naar de maat,

Terwijl de kroezen op den disch rinkinken, -

En naar de wangen stijgt het vroolijk bloed:

Den oude, die daar op den dorpel staat,

Ziet men de vreugd uit lachende oogen blinken,

Tevreden, dat hij leeft, en leven doet.