Wannes en Roosken
P. Bosiers
'En weet ge nog,' vroeg hij, en kuchte eens,
'en weet ge nog, Roosken, mijn kind,
hoe vaak ik u torschte op mijn' schouders,
bij zomersche zonne, door gras en door graan,
en des Winters, door regen en wind?
Vergeet gij, hoe ik u ter school droeg,
hoe 'k toen reeds uw makkertje was,
hoe vaak ik uw' lokken met kollen doorvlocht,
hoe trouw ik uit Bijbel- of prentenboek
u lessen vorenlas?' -
- 'Och, Wannes!' zoo zuchtte zij, 'Wannes!'
'En weet ge nog,' vroeg hij, - ''k onthield, ik,
als gebeurde 't eerst gist'ren, dien dag, -
hoe vaak ik in vijvers, in wouden,
de visschen ving, de nesten zocht,
belust op het loon - uw' lach.
Onthieldt gij, hoe 'k soms, uit den bogaard,
zoodra ik een' appel vond,
het zette op een' loopen naar Roosken, mijn' zus,
en - beet ik al zelf eens! - de sappigste helft
bewaarde voor uwen mond?...' -
- 'Och, Wannes, toch!' zuchtte zij; 'Wannes!'
'En,' sprak hij, 'ja... zie... da's nu henen...'
en hij wreef langs zijn oog, met een' zucht;
'toch kan dat nog keeren... mijn bloem'ken...
Och! spraakt gij dat woord, en ach! vondt gij dien kreet!
Nòg keerde 't, hoe lang al gevlucht!
Groot zijt gij... en struisch...' - hij bekeek van terzij
de meid, - 'en al lang nu geen kind...
Toch draag ik u weder op boezem en arm,
langs stopp'ligen akker, door reuzelend graan,
heete zonne, en verstijvenden wind!...'
- 'Och, Wannes...!' zoo snikte zij, 'Wannes!'