O Eerdentroost

P. Cabus

O Eerdentroost, gebloeide blommen,

hoe kommen

die blijdzame oogen, alzoo zaan

als 't zomer is, op al de struiken

te ontluiken,

en mij beziende ga te slaan.

Daar is iets in, dat ik te vragen

wil wagen,

en dat ik geerne af u vernam;

daar velen zijn die niet en roeken,

of zoeken

naar 't geen hen blijdt, van waar het kwam!

Daar leeft toch Een, die mijn' twee oogen

u toogen,

gebloeide blommen, wilde; en 't is

Hem een' genoegte als ik genegen

Hem zegen,

en ben genietende u, gewis!

Of, is 't al blinde nacht en logen,

't vermogen,

dat in mij waakt en, waarheidziek,

mij laaft en lescht? Ach neen't? Genezen

wil wezen

die grondelooze graagte die 'k,

o God, van U gescheiden, drage;

en 'k vrage

opdat ge mij, voortaan, o Heer,

eens ruste en vrede en weêr dat leven

wilt geven,

dat leven is, en U genieten, immermeer!