Als in een' glans

P. Loots

Hoe kan dat zijn,

o Schepper van hierboven,

dat ik U maar

en zie als in een glans;

als in een glas,

te zelden onbestoven

van doom en stof:

en nooit geheel en gans?

Zo Gij bestaat,

en God zijt, moet het wezen,

dat ik U zie;

dat, zonder doek, entwaar,

ik schouwen kan,

en, schouwende, in 't nadezen,

van bij U zie

en eeuwig op U staar!

Hoe kan dat zijn:

om niet en is gegeven,

uit Uwe hand,

het leefvermogen, dat

mij zuchten doet,

en zoeken, naar een leven,

dat alle goed,

in 't zien van U, bevat!

Daar komt toch eens,

ten oosten uit, een dagen,

een dageraad,

een eeuwigheid, die niet

meer weg en kan

noch weder, noch vertragen

het zielgezucht,

dat zoekt en niet en ziet.

Mijne ooge zal

eens vol U zien, en varen

zo 't druppelke

in zee, dat is versmoord:

zij zal U zien,

verafgrond in de baren

der ziende zee,

die bedde en heeft noch boord!