Tafelliedeken
P. Vis
Komt uit met al wat geestig is,
met trompen en schalmeien,
omdat 't vandage feestdag is
en nu geen tijd van schreien,
maar lachen ons nu beter past:
die lacht die heeft het beter vast;
't is
jubilé
, van tirelirelé,
't is pastors
jubilé!
Dat is toch geestig pastor zijn,
met trompen en schalmeien,
zijn hertje moet wel vaster zijn
als 't onze om niet te schreien,
wanneer hij al zijn kinders ziet
en hoort ze zingen 't vreugdelied,
den
jubilé
, van tirelirelé,
't is pastors
jubilé!
In 't hospitaal, als 't kermesse is,
met trompen en schalmeien,
alwaar zoo dikwijls deernesse is,
toch mag men daar niet schreien;
bezonderlijk de pastor nooit:
't is beter dat hij monkelplooit
en lacht;
allez
! van tirelirelé,
't is pastors
jubilé!
Past op nu! elk zijn glas geklaard,
met trompen en schalmeien,
als 't uit is, toen is 't best gespaard,
't is toen eerst tijd van schreien:
gezondheid en geen tandenpijn,
dat is de vrucht van pastorswijn:
allez! allez
! van tirelirelé:
't is pastors
jubilé!
Mijn glas is uit, mijn liedtje niet,
met trompen en schalmeien;
wie is er die niet klaar en ziet
dat hier niet valt te schreien!
Schreit morgen heel uw schorte nat,
maar lacht vandage en zingt nog wat
van
jubilé
, van tirelirelé:
't is pastors
jubilé!
Wie is er die niet blij en is,
met trompen en schalmeien,
omdat de pastor bij ons is,
zoo lange en zonder schreien;
hij kijft wel, als wij kwalijk doen:
hij kan, hij moet en hij mag wel toen,
maar nu toch niet: van tirelirelé:
't is pastors
jubilé!