Klare
R. De Clercq
Klare, wat heeft er uw hartje verlept,
dat het verdriet in vrolijkheid schept
en altijd even benepen verdort,
gelijk een bloempje dat dauwetje schort?
Krielt het van vrijers niet om uw deur?
Kunt ge niet gaan te kust en te keur?
En doe je niet branden en blaken en braên,
al waar 't u op lust een lonkje te slaan?
Anders en speelt het windetje niet,
op elzentakken en wiegelend riet,
als lustigjes, lustigjes. Lustigjes gaat
het watertje, waar 't tegen 't walletje slaat.
Ziet d'openhartige bloemetjes staan,
die u tot alle blijgeestigheid raên.
Zelfs 't zonnetje wenst u wel beter te moe,
en werpt u een liefelijk ogelijn toe.
Maar zo ze niet door al hun vermaan
steken met vreugd uw zinnetjes aan,
zo zult gij maken aan 't schreien de bron,
de bomen, de bloemen, de zuivere zon.