Christene zielen
R. Ghesquiere
Christene zielen,
die 't vernielen
schijnt te vreezen van Gods Kerk,
wilt niet duchten,
wilt niet zuchten:
onvernielbaar is Gods werk!
Tusschenzang: (Al 't volk:)
Helpt den christen
uit de listen
die de wereld rond hem spant;
helpt, in lijden,
in verblijden,
helpt, Maria, Kerke en Land!
Men kan spreken:
Ik zal breken,
ik zal brijzelen, ik zal slaan!...
De ijdele dwazen,
laat ze razen:
dat God staan deed, dat zal staan!
Waar de landen
samenspanden
[om Gods wet en zijn gebod
te vereeren,
staat, vol eeren,
't volk nog vast, en steunt op God!]
[ Maar de streken
die het spreken
volgen van den wereldzin
zullen vallen,
en gaan allen,
vroeg of laat, den afgrond in.]
Moge Vlanderen
nooit veranderen,
maar, van lage en listen vrij,
dat het jeugdig,
dat het vreugdig,
dat het altijd Vlanderen zij!
Christen menschen,
't waar' te wenschen
dat gij wildet wel verstaan
van geen dingen
schoon te zingen,
zonder hand aan 't werk te slaan!