Beeksala
R. Herberigs
Hier is de man
uit Vlanderlan'
met, om u dienst te doene,
beeksala,
met beeksala, kersoene:
't is 't beste groen, gelooft mij, dat,
van al dat groene is: koopt mij wat
beeksala, beeksala!
Al volgeplukt,
de mande drukt
mij riemvaste op de leden;
beeksala,
vol beeksala, die 'k heden
gewied hebbe in den waterplasch,
aan 't werk wanneer 't nog donker was:
beeksala, beeksala!
Met stok in d'hand,
uit Vlanderland,
zoo kome ik, en de walen,
beeksala,
die beeksala betalen;
zij krijgen voor, parli, parla,
twee soun, twee bondtjes beeksala,
beeksala, beeksala!
Van mage en bloed
die krank is moet
om, pille en pot gelaten,
beeksala,
om beeksala, zal 't baten:
zij drijft al de oude dampen uit,
en kocht ge maar nen halven kluit
beeksala, beeksala!
'k Ben uitverkocht,
't is noene errocht,
'k gevoel 't aan mijn geweten:
beeksala,
maar beeksala, om te eten...
al met mijn moegekraaiden hals,
kardoefels doen meer deugd mij als
beeksala, beeksala!
Dan: op en weg,
Adieu, en 'k zeg:
wel moge ulieden allen
beeksala,
mijn' beeksala bevallen!
Zoo vare ik voort en kom ter week,
al roepen door de waalsche streek:
beeksala, beeksala!