De merelaan

R. Herberigs

Hebt gij nog geluisterd

naar den merelaan,

's avonds, als het duistert,

als de sterren staan?

Op den hoogen sperel,

daar hij verre ziet,

luide zingt de merel

nu zijn avondlied.

Hoort zijn' kele galmen

haal en wederhaal:

't zijn lijk Davids psalmen

't is lijk orgeltaal.

Kout hij met de blâren

van den boom, misschien;

die, al slapenvaren,

hem goên avond biên?

Kijft hij op de winden,

die, voorbijgegaan,

hem, den blijgezinden

vogel, 't zwijgen raên?

Wenkt hij naar een' sterre,

die hij ginder ziet

blinken, hooge en verre?

Ai, 'k en wete 't niet!

Een alleene het wijs is,

wat de vogel zingt,

weer het luide of lijze is

dat zijn' tale klinkt.

Hoort zijn' kele galmen

haal en wederhaal:

't zijn lijk Davids psalmen,

't is lijk orgeltaal.

Somtijds, in de kerke,

hoore ik stemmen aan,

lijk die lieve en sterke

van den merelaan.

Als 't, te zeker' stonden,

sursum corda klinkt;

en 't, uit de orgelmonden,

zingt en wederzingt.

Rijzen doet mijn herte

naar den hemel, dan;

lijde ik pijne en smerte,

't leed verlicht ervan.

Al met eens, hij schettert,

tiert en tureluit;

'Vier slaat' hij dat 't spettert:

en... 't is uitgefluit!