De zaaier
R. Herberigs
Exiit qui seminat
Met kloeken arme, en hand vol zaad,
aanschouwt hoe hij zijn' stappen gaat
en zaait, vol zorgen,
de man, wiens hope en troost en al,
met 't stervend zaad, nu zitten zal
in 't land geborgen.
Staat op, o zaad, 't is God die 't zegt,
den winter en de dood bevecht:
de zonnestralen
verwachten al, met menigvoud
geverwde pracht en levend goud,
uw zegepralen.
o Winden, waait om 't groene kind
des lands, uw' zacht-, uw' zoetsten wind;
o dauwrijk dagen
des morgenstonds, o wolkenvloed,
verleent het koorn, dat kenen doet,
uw welbehagen.
Het wasse en 't worde een geluw graan,
het bloeie en 't blijve buigend staan,
vol zaad geladen;
vol zegen, die geen' nijd en baart,
geen' zucht, geen' zoek omleegewaard,
geen' euveldaden!
Houdt af, gij, wind- en wolkgeweld,
die de akkerzaaite omverrevelt,
en bleeke ellenden
verspreidt alom: houdt af uw' hand;
wilt verre weg van 't dragend land
uw' geesels wenden!
Dan zal de landman, 't herte groot
van dankbaarheid, om 't daaglijksch brood
dat hij mocht winnen,
den ouden arbeid, zwart en zwaar,
zoo dit, zoo 't naaste en 't naaste jaar,
weêr herbeginnen.