Duiven

R. Herberigs

Klap-klap-klap

m'n dertien duiven

slaan hun vlerken, de eene op de aâr;

klap-klap-klap,

en henenschuiven

doen ze van mijn dak, mij daar.

Klap-klap-klap

ze spelevaren

rinkelrooiende, altemaal;

klap-klap-klap

van harentaren

ommentom, in éénen haal.

Klap-klap-klap

ze zijn daar weder:

hoort ge vlug hun vlerken slaan?

Klap-klap-klap

ze vallen neder,

beetende op mijn dak voortaan.

Klap-klap-klap

de veêren stuiven,

want hun baaike, groef en fijn,

klap-klap-klap

m'n dertien duiven

boetende in de zonne zijn.