Het vlaamsche volk

R. Herberigs

Het vlaamsche volk

is volk van 't vrije noorden;

de zuiderzonne

en lamt zijn' lenden niet;

't is scherpgezind,

is 't weiger in zijn' woorden,

en, hoe 't van herte is, hoort het aan zijn lied!

Het vlaamsche volk,

in 't heidendom verloren,

zocht eeuwen lang

Gods wezen in Gods werk;

't en vond Hem niet

eer 't, christelijk herboren,

uw licht aanschouwde, o ware Roomsche Kerk!

Het vlaamsche volk

is, kersten van geloove,

Sint Pieters rotse

onwankelbaar vereend;

dat 's boozen macht

van alles hem beroove,

zal 't U, o God, verzaken immer? Neen 't!

Het vlaamsche volk,

van handel en van zeden,

is oud en rein,

zoo 't plag, van eeuwen her;

eer 't uwen glans,

eer 't uwe onschendbaarheden

hadde ooit gekend, o reine Morgenster!

Het vlaamsche volk

is recht, en 't zijne laten,

dat wilt het elk

ende ieder, kleen en groot;

geen vorst en vond

ooit trouwere onderzaten,

maar slavendienst, dat vlucht het, als de dood!

Het vlaamsche volk,

doen orgelspel en snaren,

doen zang en dicht,

doen beitel en penseel

naamkondig zijn

bij alle kunstenaren,

gelijk in welk bewoonde werelddeel.

Het vlaamsche volk,

bekend in alle streken

waar zonne rijst,

waar hemelteekens staan,

't en zal geen een

ooit zeggen: ''t Is bezweken,

zijn' name is uit, zijn' grootheid is vergaan!'

Het vlaamsche volk,

de zee beloert zijn' gronden,

den leeuw gelijk,

die briescht! Dat is die leeuw,

dien 't vlaamsche volk

zijn' dijkedelvers bonden

in boeien vast, geleên zoo menige eeuw!

Het vlaamsche volk

bebouwt uit alle landen

het schoonste land,

dat ooge aanschouwen kan;

en eischen mag 't:

'Het werk van mijne handen,

geen dwanggeweld en scheide mij daarvan!'

Het vlaamsche volk,

geen wilde zucht en jaagt het,

om menschenbloed

te storten ongekweld;

of 't vechten kan,

of 't dapper is, ga' vraagt het

aan 't Heilig-Land, aan Kortrijks zegeveld!