Koe-Koe

R. Herberigs

'Koe-koe', de Leye omtrent

is alles, allenthenen,

belegwerkt en bezomerblomd:

en 't aarderijk verdwenen.

'Koe-koe,' de groene wee,

zoo verre ik kan bespichten,

liep overal de zonne, met

heur zelvergeld, bezichten.

'Koe-koe,' de koekoetblom,

vermenigd in de meie,

zie 'k varen heen en weêr, alom,

en zwaaien lijk een Leye.

'Koe-koe,' de Leye langs,

en kan ik onderscheiden

of 't baren zijn of blommen, die

mijn' zwervende ooge leiden.

'Koe-koe,' de koekoet roept

herhaaldemaal, daartusschen,

nen boom entwaar bezittende, in

de verre verre busschen.