Roozemond

R. Herberigs

O Schoone roozenmond,

en buiten alle grenzen

van lieflijkheid, die, eerst

ontloken, op mij lacht,

uw leven is te broos

en moet, och arme, slenzen

eer morgen hier is. Op!

herleeft in mijn gedacht!

Daar zult ge, vrij en blij,

van verwen onbedorven,

weérspiegeld in den grond

van mijn geheugen staan,

en leven: zij uw' stam,

uw' wortel, al, gestorven;

zij de ongestuime wind

gaan spelen met uw' blaân!