Schippers terugkomst

R. Herberigs

Wanneer de schipman, afgewrocht,

en moe geslingerd van de tocht,

op 't wiegewagend brooze hout

waaraan hij lijf en leên vertrouwt,

terugkomt, met gekeerden spriet,

en reeds zijn eigen torre ziet,

die effen uit de baren kijkt

en nauwlijks aan een tik gelijkt;

dan, woei en blies het nòg zoo fel,

dan, voer zijn vaartuig nòg zoo snel

en dook de steven onder 't schuim,

zijn herte vliegt vooruit in 't ruim,

en nauwlijks stuikt de dolle zee

zijn zwalpend vaartuig aan de ree,

of, blijdzaam, rukt hij van zijn boord

en stiert zijn rappe schreden voort

naar huis, waar vrouw en kind... Maar zie,

daar vliegen ze op hem, alle drie:

de moeder, die, vol tranen, groet,

het meiske, dat lijk moeder doet,

en 't knaapje, dat eerst 'Vader' zegt

en in zijn hand zijn handtjes vlecht,

en, tegen schippers borst gewoeld,

zijns Vaders herte kloppen voelt.